Terug naar de vorige pagina

FOCUSSEN IN DE SPELTHERAPIE

Een mogelijkheid?
Anneke Broertjes

INLEIDING

In mijn huidige werk als leerkracht LOM onderwijs is in 1994 een project gestart om met kinderen in de basisschool-leeftijd tot concentratie-verhoging te komen d.m.v. focussen. Ik heb van het begin af aan aan dit project deelgenomen.
Het focussen dat wij hier gebruiken is een miniproces van de cliëntgerichte methode van Gendlin.
Tweewekelijks oefenen we het ‘ruimte maken’ in de klas met de gehele groep. Dit is de 1e fase van het focusproces. Dit proces begint met ’het naar binnen keren’ om het lijfelijk ervaren gevoel omtrent iets te vinden, om vervolgens dit gevoel uit te beelden door het te tekenen. Als slot krijgen nu de kinderen de ruimte om over hun ervaring te praten. Het gehele proces ontwikkelt zich in een sfeer waarbinnen ieder kind zijn eigen invulling kan geven; b.v. een meisje begint meteen haar ogen dicht te doen wanneer begonnen wordt; een jongen (ADHD van het gecombineerde type) begint met veel onrust en hij durft zijn ogen niet dicht te doen, maar hij komt tot rust en tekent dat wat op dat moment in hem opkomt zonder anderen te storen; een jongen reageert met de opmerking "lekker"; weer een ander zegt dat ze niets weet te tekenen maar blijft bij zichzelf en tekent zonder opdracht.
Na een gewenning met het concentreren blijkt dat kinderen deze manier van ‘bij jezelf blijven’ heel gewoon vinden.
Het biedt geen kant en klare oplossingen voor problemen. Kinderen ervaren wel dat zij anders met hun ervaringen naar buiten komen. Het geeft ‘lucht’ en rust. In bepaalde gevallen is het een aanzet om met kinderen individueel een diepgaand gesprek te hebben. Dit geven zij zelf aan.
Het gehele project wordt begeleid door de kinderpsychotherapeute die aan de school verbonden is. Het proces is in ontwikkeling en vraagt om uitbreiding.
In Canada, Chicago en Japan is ook ervaring opgedaan om dit ‘ruimte maken’ klassikaal met kinderen te doen.
Het onderwerp van dit artikel is of en in hoeverre de cliëntgerichte benadering ‘Focusing’ van Gendlin in z’n geheel toegepast kan worden in de speltherapie met kinderen.
In dit artikel wordt allereerst een beschrijving gegeven van de theorie van ‘focusing’ van Gendlin.
Vervolgens wordt nagegaan welke doelen nagestreefd worden om deze benadering te gebruiken.
Hierna worden praktijkvoorbeelden beschreven, waarin op deze manier met kinderen gewerkt wordt. Belangrijk hierbinnen is de toespitsing naar het therapeutisch werken met kinderen met name welke interventies passen wel/niet in de cliëntgerichte benadering. Daarna worden de hoofdlijnen weergegeven van een interview met een kinderpsychotherapeute, die focussen in haar therapie met kinderen gebruikt.
Het artikel wordt afgesloten af met een persoonlijke reflectie, hoe ik zelf invulling wil geven aan deze theorie in het therapeutisch werken met kinderen; en worden de mogelijkheden en onmogelijkheden beschreven.

DE THEORIE: HET FOCUSSEN VAN GENDLIN

Het focussen is in de Zestiger jaren in de post-person-centered periode na 1967 ontwikkeld door Eugene Gendlin.
Gendlin is filosoof/psycholoog en hoogleraar in de psychologie te Chicago.
Hij was een directe medewerker van Carl Rogers. Hij speelde een belangrijke rol in de voortdurende ontwikkeling van de cliëntgerichte therapie.

Het focussen

Focussen is een zorgvuldig opgebouwd veranderingsproces, waardoor je op heel natuurlijke wijze toegang kunt krijgen tot wat er werkelijk in je omgaat. Door focussen kom je in contact met ‘iets’ dat lijfelijk voelbaar is en dat dieper is dan gedachten en emoties. Door met je innerlijke aandacht te blijven bij deze lijfelijke beleving van dat wat je bezighoudt, raakt, kwetst, komt er van binnen ruimte voor ontdekking en verandering.
Tijdens het focusproces ben je in staat de momenten waarop zich innerlijk een daadwerkelijke verandering voordoet, te ervaren en te herkennen. Het is een lijfelijk gevoelde verschuiving waarin je de innerlijke verandering waarneemt.
Veranderen komt niet door alleen maar praten of alleen maar huilen. Gendlin stelt dat je geen innerlijke verandering kunt bewerkstelligen zonder jezelf vanuit dit lijfelijk beleven te benaderen.

De focusser en de therapeut/begeleider

De focusser

Er zijn twee belangrijke elementen in de grondhouding van de focusser. Het eerste is dat de focusser zichzelf benadert in een sfeer van warmte, mildheid en openheid. Alles mag er zijn, ook al voelt het als zwaar of negatief aan.
Het tweede is dat de focusser zelf verantwoordelijk is voor het eigen proces. Wat van binnen uit komt is waar. Daar kan geen begeleider aan tornen.

De therapeut/begeleider

Begeleiden bestaat uit meevoelend en met een positieve instelling luisteren, en laten blijken dat je luistert door te herhalen, en experiëntieel te spiegelen wat de focusser van zijn innerlijke gebeuren beschrijft. Wanneer deze het gevoel heeft echt gehoord te worden, kan dit op zich al een gevoel van opluchting, van ruimte teweegbrengen.
De begeleider/therapeut geeft geen advies, stelt geen onnodige vragen, geeft geen interpretaties, en geeft alleen procesbeschermende en procesbevorderende interventies.
De 8 basisprincipes van Axline (1969) voor de non-directieve/cliëntgerichte benadering komen hier voor een groot deel tot uitdrukking.
1. Er is sprake van een warme, vriendelijke relatie.
2. Er is een onvoorwaardelijke acceptatie.
Er is tolerantie, toegeeflijkheid en waardering voor alles wat geuit wordt.
De therapeut/begeleider is alert op het herkennen van gevoelens die uitgedrukt worden, en reflecteert
5. De client/het kind/de focusser heeft de mogelijkheid zijn eigen problemen op te lossen, keuzen te maken en ontwikkelingen in gang te zetten.
6. Er is sprake van een geleidelijk proces en er is geen sprake van haast.
7. Er mag geen sprake zijn van een directieve benadering: niet sturen in een bepaalde richting.
Hierbij merk ik op dat het aangeven van het focusproces een directieve actie is.
"Gendlin schept ook nadrukkelijk ruimte voor een meer directieve houding van de therapeut. De therapeut kan de relatie met de cliënt en diens ervaren doelbewust structureren en trachten te beïnvloeden. Dit gebeurt wel steeds vanuit de cliëntgerichte grondhouding, dat wil zeggen dat de therapeut niets oplegt of voorschrijft, maar de interventies steeds toetst aan het ervaringsproces bij de cliënt." (de Bruin-Beneder, 1992, p.113).
8. In de therapie moet de relatie met de realiteit verbonden blijven en begrenzingen aangegeven worden terwille van de veiligheid van beiden.
In de literatuur en de onderzoeken over focussen blijkt steeds weer dat deze grondregels onverminderd gelden.
Deze cliëntgerichte grondhouding is de basis van het begeleiden in focussen.

Het focusproces

Focussen is een manier van omgaan met je eigen, lijfelijk gevoelde binnenwereld. Het is niet alleen vruchtbaar bij de omgang met jezelf, maar ook bij die met anderen. Delen uit het focus proces laten zich inpassen in de dagelijks omgang met jezelf en met anderen.
Het innerlijk bezig zijn waardoor zich veranderingen in je kunnen gaan voltrekken en oplossingen voor problemen zich kunnen aandienen, kun je leren. Gendlin heeft het focusproces hiertoe verdeeld in een aantal fasen. De persoon die het proces aangaat concentreert zich door zijn/haar aandacht naar ‘binnen’ in zijn/haar lichaam te laten gaan. Door gerichte procesaanwijzingen kan de focusser hierbij geholpen worden.

1. Ruimte maken

Hoe ben je eraan toe? Wat staat er tussen jou en een goed gevoel? Geef niet direct een antwoord. Laat dat over aan wat er in je lichaam opkomt. Ga nergens dieper op in. Begroet elke kwestie die zich aandient. Zet deze steeds voorlopig opzij, op een veilige imaginaire plek. Als dat op een goede afstand is, hoe voel je je dan? Kan je tegen jezelf zeggen: “ik voel me goed?” Ga zolang door tot dit klopt.

2. Lijfelijk ervaren gevoel omtrent iets

Kies een probleem om op te focussen.
Ga niet op het probleem in. Wat voel je in je lichaam wanneer je het geheel van dat probleem oproept?
Voel dat allemaal, dat ‘iets’, het nog duistere, onaangename of onduidelijke lijfelijke gevoel ervan.

3. Laat een handvat opkomen

Wat is de hoedanigheid van het ervaren gevoel?
Welk woord, zin of beeld, soms een beweging, komt er uit dat ervaren gevoel op?
Welk woord zou dit het beste aanduiden?

4. Laten resoneren

Ga heen en weer tussen woord of beeld en het lijfelijk ervaren gevoel. Klopt het? Als ze bij elkaar passen, wees je dit dan gewaar. Als het ervaren gevoel verandert, volg het dan met je aandacht.
Wanneer je een gevoel van overeenstemming krijgt, waarbij de woorden (beelden) precies bij dit gevoel passen, laat dat jezelf een tijdje lang voelen.

5. Vragen

Vraag als het proces zich niet verder ontwikkelt:
- wat is het aan het hele probleem, dat me zo .... maakt?
- wat is het ergste aan dit gevoel?
- hoelang ken ik dit al
- wat heeft het nodig?
- hoe zou het voelen, als alles prima in orde was?
- wat zit er daarbij in de weg?
Geef zelf geen antwoord maar wacht tot het lijfelijk ervaren gevoel zich roert en antwoord aan jou geeft.
Laat het lichaam antwoorden.

6. Ontvangen

Verwelkom wat er gekomen is, vooral het nieuwe lijfelijke gevoel. Wees blij dat het gesproken heeft. Het is meestal één stapje bij dit probleem, niet het laatste. Nu je weet waar het zit, kun je ervan weggaan en er later bij terugkomen voor een volgende stap. Bescherm het tegen kritische stemmen die er tussen willen komen.
Wil je lichaam nog een keer focussen of is dit een goed punt om te stoppen?

Wat focussen niet is

Het is niet een manier om met jezelf te praten. In plaats van je aan de ‘buitenkant’ op te stellen en op jezelf in ‘te praten’ luister je naar wat er van binnen uit in je opkomt.
Focussen is geen analyse van je gedrag. Het is een proces waarin je verandering verwacht, die jezelf creëert. Je krijgt contact met geheel van het probleem en alles wat ermee samenhangt. Door stap voor stap te werken met het gevoel ervaar je lichamelijke verschuivingen.
Focussen is niet alleen maar een gewaarwording in je lichaam. Het is een ervaren gevoel, een fysiek besef van een probleem, een bekommernis of een situatie. Het is een fysiek gevoel van de betekenis ervan.
Focussen is niet hetzelfde als het ervaren van sterke emoties. Een ervaren gevoel is het ruimere, aanvankelijk onduidelijke, onbestemde onbehagen, dat het geheel van een probleem in je lichaam veroorzaakt. Om dat zich te laten vormen, moet je wat afstand nemen van de vertrouwde emotie. Het ervaren gevoel is vaak vaag, minder intens, eerst minder gemakkelijk te ervaren en veel meer omvattend. Het is de wijze waarop je lichaam het hele proces draagt. Het draagt de verandering al in zich.

Ondersteunende theorieën

Als ondersteuning van de theorie van Gendlin worden in het volgende deel aanknopingspunten in andere theorieën gemeld en theoretische reflecties door anderen.
In het boek: ‘Op de drempel van het leven’ hfdst. 1: de weg naar psychoanalyse, beschrijft Grof (1986) dat hij een tegenstelling ervaart tussen de theorie en de praktijk. Enerzijds kan men door de freudiaanse psychoanalyse verklaringen geven voor allerlei zaken (droomsymboliek, de psychopathologie e.d.). Anderzijds is hij teleurgesteld over de resultaten. Voor psychoanalyse is maar een deel van de patiënten geschikt.
Volgens zijn theorie hebben bepaalde emotionele, psychosomatische ervaringen, symptomen en symbolische voorstellingen te maken met de geboorte. Zij treden op als begeleidingsverschijnselen bij een bepaald geboortestadium. Grof werkt een schema uit waarbij kenmerken gekoppeld worden aan 4 stadia van voor, tijdens en onmiddellijk na de geboorte,.
Hierna beschrijft hij de invloeden van het geboortetrauma op het verdere leven.
Hierbij stelt Grof als probleem of het herbeleven van trauma's - in dit geval het geboortetrauma - een genezing op zichzelf is. Waarom zou dit herbeleven een therapeutische werking hebben en niet enkel en alleen een nieuw trauma veroorzaken? Grof geeft als zijn mening dat het geen herbeleven in de letterlijke zin van het woord is en dat het niet eens een herbeleving van iets hoeft te zijn dat men werkelijk heeft ervaren. Het is veel meer de eerste ervaring van iets dat niet op het tijdstip van de gebeurtenis zelf volledig werd verwerkt. Deze onverteerde gebeurtenis kan door ervaringsgerichte therapeutische technieken voor het bewustzijn toegankelijk gemaakt worden. Het is dan de eerste keer dat deze gebeurtenis volledig beleefd en verwerkt kan worden.
Het bovenstaande in acht genomen hebbend, lijkt mij dat door het focussen ook ruimte wordt gegeven aan ervaringen die heel vroeg in de ontwikkeling zijn ontstaan. De schrijver duidt op lichamelijke gewaarwordingen, op onbewuste processen die een eigen leven gaan leiden. Bij focussen worden lichamelijke ervaringen, die vastgelegd zijn in je lijf bewust gemaakt door te ervaren en te voelen. Deze ervaringen kunnen recent zijn, over de toekomst, maar ook van lang geleden. Het voert te ver om te doorgronden of kinderen voor de geboorte al een geheugen opbouwen (het nog niet gemyeliniseerd zijn van de cortex). Veel belangrijker is het te beseffen dat iemand een lichamelijke gewaarwording heeft die serieus genomen dient te worden. Verklaringen lossen voor de cliënt niets op; wel het doorleefde veranderde gevoel erover.
Frans Depestele (1995, psychiater-psychotherapeut) beschrijft in zijn artikel: ‘Een inleiding in het werk van Gendlin; het experiëntiele karakter van psychotherapie’ dat een interventie-techniek in de psychoanalytische interpretatie effect heeft wanneer het antwoord niet louter cognitief is, maar vanuit een dieper niveau dan van het bewust beleven komt en onwillekeurig overkomt. Door de 'proces-aanwijzingen' van het focussen leert de cliënt om beter in de therapie te werken. Alleen focussen is echter nog geen psychotherapie, zegt Depestele, want de relatie is in de psychotherapie primair en fundamenteel, maar in de praktijk zien we hoezeer focussen en luisteren met elkaar verweven zijn. Bij het focussen is het niet alleen een vaststelling van wat er gezegd wordt maar zoekt de begeleider een precieze reflectie die gericht is op en contact probeert te maken met datgene in de cliënt van waaruit deze spreekt.
Depestele schrijft ook dat Focussen gecombineerd kan worden met andere psychotherapiemethoden en dat Gendlin daar ook voor pleit. Hij vindt dat er een therapeutische relatie nodig is, om de cliënt te helpen om bij dat gebied van impliciete beleving te komen waaraan hij zelf voorbij neigt te gaan. Maar alleen door de zelfwerkzaamheid van de cliënt kunnen de tussenkomsten van de therapeut werkzaam zijn. Experiëntiele therapie is op een directieve wijze non-directief.
Depestele gaat verder dat het onbewuste wordt gezien als een bepaalde wijze van ervaren waarbij een bepaald verleden lange tijd 'gefixeerd' kan blijven, maar in een nieuwe interactie kan loskomen en 'opgelost' worden of opgaan in het proces. Het is de nieuwe interactie die de nieuwe vormingen - dus niet oude vormen die gewoon van plaats veranderen - mogelijk maakt. Daarbij is interactie primair. Ze maakt een nieuwe wijze van ervaren of wijze van proces mogelijk, en daaruit komen nieuwe proces-produkten of inhouden voort.
Zo is psychotherapie niet enkel 'herstelwerk', persoonlijkheidsverandering is niet louter het werk afmaken dat de opvoeding en de persoonlijke ontwikkeling niet goed volbracht zouden hebben. Het is ook en vooral creativiteit ontwikkelen.
Depestele stelt dat focussen theoretisch een nieuw licht werpt op wat een persoonlijkheid is, het onbewuste, psychopathologische fixatie, en vooral op wat verandering is. Hij benadrukt de plaats die 'het lichaam' krijgt in deze beschouwingswijze.
Anne Houston (1992) beschrijft in haar artikel ‘Focusing in the context of a person-centered approach’ dat de essentie van het focusingproces is dat het innerlijke gevoel, als actuele ervaring, verschijnt in het huidige moment.
Het theoretisch weten kan bekend zijn aan de begeleider / therapeut, maar het ervaren van de lichamelijke rijkdom van de 'body-sense of....' kan zij zelf in haar therapeutische praktijk goed gebruiken.
Doordat zij door het focussen zelf beter ervaart wat er in haar omgaat kan zij cliënten beter helpen. Zij deelt Rogers uitspraak: ‘the better integrated the therapist is, the higher the degree of empathy he exhibits’.
 
Het bovenstaande geeft aan hoeveel aanknopingspunten focussen heeft met andere therapeutische richtingen en dat het belangrijk is het focussen serieus te nemen. Het is de moeite waard om verder te zoeken naar de toepassingsmogelijkheden in de speltherapie.

SPELTHERAPIE EN FOCUSSEN

In het volgende deel wordt ingegaan op de doelen van het focussen in de psychotherapie; het focussen met kinderen en ervaringen met focussen in speltherapie.

Wat is het belang van focussen in de psychotherapie

In de psychotherapie wil de therapeut een proceswijze aanbieden waardoor de cliënt zijn problemen duidelijk krijgt en verandering ervaart. De belevingen t.a.v. deze problemen worden in de verschillende psychotherapiemethoden in verband gebracht met situaties in de buitenwereld. Dit alles kan een mentale actie zijn, maar een werkelijk veranderingsproces is meer dan alleen bewustwording en aanknopingspunten vinden.
Gedachten en emoties kunnen veranderingen begeleiden maar zijn niet de bron van veranderingen. Belangrijk is dat lijfelijk ervaren wordt wat een situatie, een ervaring, een gebeurtenis met jezelf doet of gedaan heeft. Pas als lichamelijk ervaren wordt dat het werken aan een probleem een lichamelijke verandering teweeg brengt, wordt er echt gewerkt aan een verandering.
Door focussen wordt er dieper ingegaan op een probleem. Door stil te staan bij wat het lijf te vertellen heeft, kan er inzicht verkregen worden in dat waar het allemaal mee te maken heeft, om vervolgens dit gevoel ‘zichzelf uit te laten spreken’. Een volledig gevoelde betekenis heeft 4 kenmerken: lichamelijke sensatie, emotionele kwaliteit, situatie in je leven, symbolisering middels woorden en/of beelden of een beweging.
Het is goed met vriendelijke aandacht bij het lijfelijk ervaren gevoel te blijven tot er een verschuiving in de beleving van het probleem voelbaar wordt. Het focussen is een manier om een relatie te creëren tussen het probleem en jezelf; om het niet te vergeten en te verdringen maar om naar een probleem te kijken zonder ermee samen te vallen of erdoor meegezogen te worden, en het zodoende te bewerken en te verwerken.
Door de cliënt te leren om te luisteren naar wat zijn lichaam aangeeft bevorder je zijn autonomie en wordt er ruimte gelaten om zijn eigen richting te vinden. Het focussen impliceert dat men onzekerheid verdraagt en kwetsbaar durft te zijn. Je weet immers van tevoren niet wat er uit het diepe zal opduiken. Die houding veronderstelt dat iemand zich veilig voelt en erop vertrouwt dat ook wat hij nog niet begrijpt, toch een zin kan hebben.
De volgende gezegden verduidelijken hoezeer ons lichaam iets te vertellen heeft d.m.v. sensaties en/of beelden:
- Mijn maag draaide om, mijn keel werd afgeknepen; ik kon geen woord meer uitbrengen.
- Een beklemd hart; hartzeer; het schaamrood stond op mijn kaken.
- Ik verstijfde van schrik; vlinders in mijn buik.
- Mijn hoofd sloeg op hol; mijn lijf ging met mij aan de loop
- Ik beefde als een rietje; zo slap als een doek.
Deze lichamelijk ervaren gevoelens dragen informatie in zich en willen gehoord worden, waardoor de daarin verborgen groei-, veranderingsrichting vrij komt. Deze verandering is als lichamelijke verschuiving voelbaar.

Het focussen met kinderen

Er bestaat weinig literatuur over het focusproces met kinderen. Er wordt nu ervaring opgedaan met kinderen in school, in therapie en in dagelijkse situaties. Uit deze ervaringen blijkt het volgende: Maureen Murdock (1987) beschrijft fantasie/imaginatie oefeningen met kinderen. Zij stelt dat de meeste kinderen van nature het vermogen hebben om herinneringen op te slaan door ze te associëren met hun zintuigen. Ook stelt zij dat door ontspanning iemand beter kan leren maar ook een beter inzicht krijgt in problemen. Zij legt meer nadruk op zijn dan op doen.
Maureen Murdock heeft met kinderen vanaf 3 jaar ontspannings- en imaginatieoefeningen gedaan. Zij ontdekte geen problemen qua mogelijkheden van de kinderen. Een enkele keer was er weerstand bij kinderen. Door dit te accepteren veranderde de weerstand in meedoen.
Als wij het bovenstaande vergelijken met de theorie van het focussen, kan geconcludeerd worden dat het focussen een beroep doet op een niet te diepe ontspanning om te vervolgen met zintuiglijke gewaarwordingen: hoe voelt het aan.... hoe ziet het gevoel eruit(kleur, vorm en geur, als een...)? De betekenis van het lichamelijk gevoelde gevoel wordt van binnen uit duidelijk door beelden en verbindingen met de realiteit.
Er blijken overeenstemmingen te zijn.
George Neagu (1988) geeft in zijn artikel: ’The focusing technique with children and adolescents’ aan dat de focus-techniek een benadering is die effectief gebruikt kan worden in elke methodiek, inclusief speltherapie en het werken met adolescenten. Kinderen van 3 jaar en ouder zijn hier al geschikt voor.
Hierbij zijn 3 punten belangrijk:
1. De relatie is belangrijker dan de techniek; het kind mag het proces onderbreken als het daar zelf voor kiest
2. Het doel is om het ervaren lichamelijk gevoel te bereiken en om het strategisch te benaderen; de verbeelding van het probleem d.m.v. materiaal (tekening, klei e.d.) mag het proces niet gaan overheersen.
3. Het resultaat moet door het kind als goed gevoeld worden.
Neagu begint de sessie met een klachtenlijst te maken. Vervolgens kiest het kind er één uit om mee aan de slag te gaan. Belangrijk hierbij is dat het kind leert luisteren naar zijn lijfelijke gewaarwordingen; dat het er niet bang voor hoeft te zijn en dat het zijn gevoel kan waarderen.
Susan Lutgendorf (1988) heeft haar ervaringen met focussen vastgelegd in het artikel ’Focusing with Children’.
Haar doel was kinderen te leren om visuele verbeelding te krijgen bij hun lijfelijke gevoelens; en om hen te leren ruimte te maken met als doel spanning te verminderen en problemen op te lossen. Zij heeft positieve ervaringen en moedigt anderen aan om het focussen met kinderen verder te ontwikkelen.

Focussen en speltherapie

George Neagu heeft het focussen toegepast in de speltherapie met kinderen. Hij geeft aan dat het een nieuwe en belangrijke methode is om veranderingen te bewerkstelligen. Ook stelt hij dat er nog veel onderzoek gedaan moet worden naar effecten, hoe het toegepast kan worden bij kinderen.
Heintz (1991) beschrijft in zijn scriptie ‘Eine Untersuchung zur Veränderung des ‘experiencing’ ’ uitvoerig zijn praktijkbevindingen. Hij concludeert dat ontspanningsoefeningen met kinderen mogelijk zijn en dat ‘het ruimte maken’ (probleemlijst) geschikt is voor kinderen.
Het krijgen van contact met je innerlijke voelen (‘Selbsterleben; experiencing’) bleek door alle kinderen verwoord te kunnen worden; er was een groei merkbaar in waarnemen, differentiëren en verwoorden. Kinderen raakten vertrouwd met hun innerlijke ervaren.
De onderzoeker doet geen uitspraak over evt. veranderingen in de persoonlijke ontwikkeling. Hiervoor zou hij langer onderzoek moeten doen. Dit geldt ook voor veranderingen in de omgang met problemen.
De effectiviteit t.a.v. focussen in de therapie zou verder onderzocht moeten worden.
De schrijver geeft een uiteenzetting van het focussen. Hij noemt verbanden met de fenomenologie, de humanistische psychologie en het existentialisme. Hij beschrijft ook de kritiek m.b.t. de experiëntiele theorie. Gendlin's theorie zou niet wetenschappelijk verantwoord zijn; het ‘ervaren’ zou oppervlakkig zijn; onscherpe definities. Ook zou het duiden van wat de cliënt aangeeft d.m.v. symbolen te maken hebben met beïnvloeding en zouden de grenzen van het focussen onduidelijk zijn (wanneer begint het en wanneer eindigt het). Een probleem in het werken met kinderen zou kunnen liggen in het feit dat Gendlin vnl. voorbeelden met angstgerichte inhouden geeft waarbij Gendlin's therapeutische interventies niet theoretisch verklaarbaar zouden zijn. In de theorie ontbreken het indicatie stellen, de diagnose en het onderzoek naar psychologische storingen. Vervolgonderzoek ontbreekt. Heintz is enthousiast over de manier waarop kinderen hun innerlijk beleven verwerken en hij benadrukt de noodzaak van verder onderzoek.
Gloria Bruinix (1993) verwoordt in haar artikel: ’The hard part is me, learning to focus with children’ op heel persoonlijke wijze dat zij kinderen niet vertelt wat zij moeten doen. Zij geeft aan hoe iets bij haar aanvoelt en laat vervolgens het kind zijn / haar kant belichten. Daar een kind te maken kan krijgen met tegengestelde (‘mixed’) boodschappen is het belangrijk contact te krijgen met het geheel van het probleem; hoe voelt dit alles aan.
Zij vindt het belangrijk om de kinderen te leren om aardig te zijn met wat zij voelen; om vervolgens te leren er naar te luisteren en als zij willen, het te verwoorden en te leren luisteren naar wat zij nodig hebben.
Zij geeft aan dat zij kinderen leert dat zij hun situatie niet kan veranderen, maar dat de kinderen dat zelf kunnen doen doordat zij ervaren hoe zij zich werkelijk over een situatie voelen en daarnaar luisteren. De sleutel naar verandering is om bij het gevoel blijven wat het kind voelt in zijn lichaam.
Ook bij destructief gedrag is er ‘iets’ in het lijf dat gehoord wil worden. Door er aandacht aan te geven krijgt dat ‘iets omtrent het destructieve’ de gelegenheid zich uit te spreken en daardoor te verlichten.
Bij het focussen kunnen kinderen geen fouten maken en is dat wat zij doen en ervaren goed.

Fragmenten uit een interview met Marta Stapert, kinderpsychotherapeut en focustrainer

Om de mogelijkheden voor de dagelijkse praktijk toe te lichten gebruik ik het verhaal van Marta. Ik heb van haar veel stimulans ervaren. Zij is de inspiratiebron voor mij om dit onderwerp te onderzoeken en ik wil het focussen verder uitbouwen in mijn werk in directe contacten op de werkplek (LOM-school) en de focustrainingen die zij geeft. Door dit zelf toe te passen in school, heb ik praktijkervaring opgedaan.
Waarom gebruik jij het focussen in de speltherapie?
Door het focussen bereik je een dimensie meer. Er komt verdieping in het innerlijke proces van het kind. Als je blijft volgen en spiegelen kan het kind tot verheldering komen. De mogelijkheid aanbieden dat het kind lijfelijk verbinding kan maken met zijn gevoel over zijn probleem helpt het kind om meer een ontdekkingsreis in zichzelf te maken
Is dit ook een werkelijke verandering? Is het doorleefd?
Een kind zal de verandering ervaren doordat zijn lijfelijk gevoel over een gebeurtenis, situatie, ervaring anders wordt.
Ook is het belangrijk dat het kind nu ‘leert’ dat zijn lijf hem iets te zeggen heeft waardoor het kind voor zijn gehele leven iets meekrijgt.
Hoe gebruik jij het focusproces?
Meestal begin ik met het ruimte maken. Wanneer het kind een gevoel benoemt of laat zien dan vraag ik hoe het kind dit gevoel ervaart in zijn lichaam; b.v. bij een huilend kind vraag ik: "hoe voelt dat van binnen?".
Het kind krijgt de mogelijkheid om de hoedanigheid van het lichamelijke gevoel te tekenen/schilderen. De aandacht die dat gevoel nu krijgt is vaak genoeg om een innerlijke verandering teweeg te brengen. Er is aandacht voor een lichamelijk gevoelde verandering; het kind kan hierdoor dingen loslaten. Hierdoor zal zijn gedrag ook kunnen veranderen.
Hoe is dat bij oudere kinderen, zo van 12 tot 14 jaar.
Bij oudere kinderen speelt het verbeeldend spel een geringere rol. Het focussen blijkt een goede benadering om met problemen aan de slag te gaan; b.v. bij een jongen van 13 jaar met incontinentie problemen: "wat heeft dat gevoel in jouw blaas jou te vertellen". De jongen zegt: “die is bang”.
Je krijgt ook vaak meer inzicht in en informatie over de problemen van het kind.
Hoe ga je er mee om als kinderen het focussen afweren?
Een accepterende houding is ook hier uitermate belangrijk. Blijkt het kind zich te verweren tegen deze manier van werken dan krijgt het alle ruimte om het focusaanbod te laten liggen en met zijn eigen wensen verder te gaan. Ik probeer wel het verweer in eerste instantie te laten ervaren door de volgende focuszin te gebruiken: "Er is iets in jou dat nog niet wil". Hier blijf ik ook volgend bezig door het protest van kinderen te honoreren en hen niets op te leggen. Er zijn kinderen die niet durven; vaak zijn dit kinderen met grote angst.
Wanneer gebruik jij focussen in de speltherapie in verband met de vertrouwensrelatie?
Ik begin vrij snel met de eerste stappen van de focusbenadering in de therapie. Reden hiervoor is dat de kinderen snel gewend raken aan een bepaalde aanpak. Hierna kun je moeilijker iets nieuws inbouwen, omdat zij het stramien gewend zijn.
Wanneer je vanaf het begin met vragen komt zoals: "er is iets in je dat....dwars.. boos.. bang.. voelt" en vervolgens "waar voel je dat?", raken kinderen daar snel in thuis. Een kind voelt zich gauw begrepen door deze naar binnen sturende vragen en dat schept een vertrouwensband.
Wanneer kinderen niet reageren op een vraag waar hij/zij iets voelt dan benoem ik het ook wel eens als een "wit papiertje". Vervolgens zou ik kunnen vragen: "wat zou er bij jou op dat lege papiertje komen als je van binnen vraagt wat het daar nodig heeft?".
Weten kinderen wat ze zelf willen?
Belangrijk is om de kinderen zelf te laten besluiten. Duidelijk maken aan het kind dat hij/zij zelf het beste weet wat het wil/kan. Kinderen hebben deze innerlijke zelfsturing. Ze weten wat voor hen goed en waar is, het is alleen vaak ondergesneeuwd. Aan ons om hen te helpen dat te ontdekken en er op te leren vertrouwen.
Einde interview.

PERSOONLIJKE REFLECTIES

Ervaring wijst uit dat door enthousiasme voor iets nieuws, kritiek geen ruimte krijgt. Toch is het goed om beperkingen te verduidelijken naast de mogelijkheden die het focussen voor kinderen in zich heeft.

Focussen in de speltherapie

Kinderen die in speltherapie komen hebben meestal weinig vertrouwen in de hun omringende wereld; zij weten zich niet overal veilig. Daarom is het belangrijk een vertrouwensrelatie op te bouwen: kenmerken van voorspelbaarheid van de therapeut; duidelijke grenzen in handelen; kunnen vertrouwen op bepaalde structuren in tijd, ruimte en geheimhouding.
Laura Rice (1974) benoemt evocatieve interventies die in dit proces belangrijk zijn, zoals concretiseren, actualiseren en self-disclosure. Zij bedoelt attent te blijven op de betekenis van een vraag van het kind en het antwoord. Rice benadrukt het belang van respect voor het kind en zijn eigen verantwoordelijkheid. De grondhouding wordt gekenmerkt door ‘niet sturen’ en openstaan voor alles wat er komt.
Wanneer de vertrouwensrelatie gegroeid is, komen andere interventietechnieken aan bod, bv.
maintenance-interventies, zoals focussen (aandacht richten op een gevoelsbeweging), differentiëren, integreren.
Het focussen van Gendlin zou nu een rol kunnen gaan spelen met als doel om de verdieping in de sessie te stimuleren, en wel op de volgende manier.

Aan het begin van de sessie

Na een concentratie-oefening brengt het kind zijn aandacht naar binnen. Hierbij moet je nauwkeurig in de gaten houden of het kind hier open voor staat. Blijkt dit niet zo te zijn dan is het goed het kind te laten stoppen. De speltherapeut kan het kind aangeven dat het misschien liever meteen gaat spelen.
Slaagt het kind erin om zijn aandacht naar binnen te brengen dan laat je die ervaring, die op dit moment in de aandacht staat uitbeelden d.m.v. tekenen, kleien e.d.. Hierbij houd je rekening met weerstand die het kind heeft voor bepaalde materialen. Na het uitbeelden laat je het kind vertellen als het hier behoefte aan heeft. Als slot vraag je het kind om de aandacht weer naar binnen te brengen om de evt. verworven ruimte, opluchting te ervaren. Het kan nu anders naar een gevoel kijken. Blijkt dit niet te lukken dan geef je aan dat dit geen probleem is. Benadruk het feit dat het goed is om aandacht voor zijn eigen lijf te hebben, zodat het kind gestimuleerd wordt deze ervaring een volgende keer weer aan te gaan.
Dit geheel kun je verder oefenen waardoor er meer diepgang in het beleven van lichamelijke sensaties groeit. In een later stadium wordt het betekenis verlenen belangrijk. Dit proces kan voor ‘opluchting zorgen of ruimte scheppen’

Tijdens de sessie

Het kind uit een emotie door woorden en/of door lichamelijke veranderingen (b.v. rood worden). De therapeut vraagt het kind om de aandacht naar binnen te brengen en te voelen waar dat gevoel zit. Doel hierbij is om niet alleen die emotie lichamelijk te ervaren en bewust te worden, maar om vervolgens het lichamelijke gevoel uit te beelden, te symboliseren, om hierdoor los te komen van die situatie en er anders tegen aan te kijken. Het kind wordt er niet meer zo door overspoeld.
Een voorbeeld: Een kind is boos en uit dit door wild spel. De therapeut zegt: "het lijkt wel dat iets in jou (of de rol die het kind speelt) boos is en je wilt dit laten zien. Voel eens in je lijf waar die boosheid zit. Ga er met je aandacht naar toe".
Vervolgens laat je vertellen of uitbeelden wat er nog meer op die plek past: "Hoe voelt het in......" Na het uitbeelden vraag je hoe het nu voelt. Belangrijk hierbij is dat het kind ervaart dat het niet overspoeld hoeft te worden door een gevoel. Dat het altijd weer naar die plek terug kan om te voelen wat ‘het’ hem te zeggen heeft. De ervaring om gehoor te geven aan een gevoel kan opluchtend werken. Ook is het respect voor alles wat het kind meedeelt waardevol; het mag er zijn met zijn/haar uitingen.
Uiteraard heeft het bovenstaande te maken met veelvuldig toepassen om het proces effectief te laten zijn. Hierbij wetende dat iedere, ook kleine verandering waardevol kan zijn.

Aan het einde van de sessie

Doel is om hetgeen ervaren is bewust te maken. Leren greep te krijgen op wat ervaringen teweeg brengen. Door dit lichamelijk te ervaren leert het kind vertrouwen te krijgen in zijn eigen mogelijkheden.
Iets kan goed/slecht aanvoelen. Hoe komt dit en wat doe ik er vervolgens mee.
B.v. het kind kon niet kiezen , dwarrelde wat rond en speelde heel even met verschillende materialen. Door de aandacht naar binnen te richten ervaart het kind hoe het zich op dat moment voelt. Door hier beelden aan te koppelen kan het duidelijk worden waar het mee te maken heeft. Het kind leert om bewuster om te gaan met een ervaring: waar zit die rusteloosheid, wat zegt het mij en hoe kan ik er anders mee omgaan.

Kinderen en hun gevoel

Vanaf 3 á 4 jaar is een kind in staat om te zeggen of om aan te wijzen waar het iets voelt.
Onderzoek moet duidelijk maken of lichamelijke klachten een medische achtergrond hebben, waardoor lichamelijk ziek zijn uitgesloten wordt.
Voelen is dichtbij voor kinderen. Zij uiten belevingen vaak in pijntjes of lichamelijke sensaties; b.v. bij het schommelen kriebelt mijn buik of als ik boos word worden mijn wangen warm of als ik een spreekbeurt moet doen trillen mijn handen. Binnen een vertrouwde relaties durven kinderen hiermee te komen.
Een kind staat vaak dichter bij zijn gevoel dan volwassenen. Laatstgenoemden hebben geleerd hier minder op te vertrouwen; b.v. doorzetten, door de zure appel heenbijten, niet zo aanstellen, het verdriet maar door slikken. Het flink zijn wekt vaak meer ontzag dan het uiten van kwetsbare gevoelens.
Kinderen die beschadigd zijn en in therapie komen hebben vaak geleerd niet meer op hun gevoel te vertrouwen. Zij verbloemen negatieve gevoelens en vertonen vaak aangepast gedrag, of ze overschreeuwen met agerend gedrag. Zij hebben geen van beiden meer direct contact met hun diepere gevoelsleven.
Daarom is het belangrijk om het kind weer te leren hoe het zich voelt, waar het iets voelt en om onzekerheid hieromtrent te benoemen. Als houvast laten ervaren dat jouw lijf jou iets te vertellen heeft en dat je hier op kunt vertrouwen.

Het focusproces

Focussen is een werkwijze om het kind te leren dichter bij zichzelf en zijn gevoel te staan. Het kan een verdieping teweeg brengen in het therapeutisch proces.
Het hoeft niet als een bedreiging ervaren te worden, nl. het kind geeft zelf aan wat het voelt, waar het iets voelt en welke beelden erbij passen. Het ervaart de evt. opluchting, verschuiving van een gevoel vanuit zichzelf; niets wordt opgelegd.
De aanwijzingen zijn in eerste instantie directief. De therapeut vraagt het kind om iets te doen en die stap komt niet direct uit het kind zelf voort. Dit past eigenlijk niet in de cliëntgerichte benadering. De therapeut is echter zeer alert op non-verbale en verbale signalen hoe het kind deze aanwijzingen ervaart. Vervolgens vraagt de therapeut regelmatig of het van binnen klopt, wat de therapeut als stap vraagt.
Vervolgens is alles wat er gebeurt non-directief. Het kind bepaalt zelf wat het wel/niet zegt, doet en reageert.
Uit mijn ervaringen op de LOM/MLK school (5 groepen kinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar) blijkt dat kinderen het in eerste instantie wat vreemd vinden. Zij hebben niet geleerd om zo met zichzelf om te gaan. De gestructureerde schoolomgeving geeft daar vooralsnog weinig mogelijkheden voor.
Door regelmatig met kinderen bezig te gaan, wennen zij aan deze aanpak. Zij blijken het al snel gewoon te vinden.
In individuele begeleiding blijkt het focussen een gesprekje met een kind te intensiveren. Het bewustworden wat een gebeurtenis met het kind doet of gedaan heeft en hoe dit tastbaar/herkenbaar wordt blijkt een verrijking.

SLOTWOORD

Met alle voorzichtigheid en respect voor de ander ga ik mijn focusvaardigheden uitbouwen binnen mijn cliëntgerichte benadering in de speltherapie en toepassen in mijn dagelijks handelen. Ik wil kritisch blijven naar evt. gevolgen en zo nodig stappen terug doen.
Door mij in de beschikbare literatuur en de praktijkervaring te verdiepen ben ik overtuigd, dat focussen als therapeutische werkwijze past binnen de speltherapie met kinderen.
Enkhuizen mei 1996
Terug naar de vorige pagina